|
Wim Schwarz - een ’jiddische’ solist in ruste ‘Joodse zang heeft me altijd geboeid’
|
|||||
|
Bij zijn eerste baas kreeg hij al te horen: Je bent beslist een smous. ‘Maar we hebben die achtergrond nooit kunnen vaststellen. Ook de Duitsers lukte het niet.’ Maar een feit is dat Wim Schwarz veel met joden had. ‘Ik ben in Rotterdam temidden van hen opgegroeid.’ Vrijwel vanaf de start van Mannenkoor Nieuwerkerk a/d IJssel (1993) was hij een van de solisten. Hij werd de meest authentieke zanger van het joodse lied. Na het Kaddisj-gebed bij een uitvaart spraken joodse mensen hem aan met ‘waar heeft u die prachtige jiddische vertolking geleerd?’ In de Delftse Synagoge waren velen ontroerd als hij bij de herdenking op 4 mei Oifn Pripitchik zong: over de rabbi die kinderen het hebreeuwse alfabet leert – want ‘gelukkig is de jood die Tora studeert, wat zou hij nog meer nodig hebben?’ Vorig jaar besloot Wim te stoppen met het koor. Een klein jaar later blijkt hij nog even beweeglijk, energiek, opgewekt en … zanglustig. Ook zonder Mannenkoor gaat het prima op de gezellige, geordende flat in Berkenwoude. Verhalen over zijn muziekverleden komen snel tevoorschijn en worden gelardeerd met aria’s. Rimpelloos komen Italiaanse en Franse teksten uit zijn kennelijk ijzersterk geheugen. Dus komt vanzelf de onbescheiden vraag op: Wim, zou je toch nog een keer op de bühne willen staan met een nostalgisch lied, bijvoorbeeld in de Synagoge van Delft. Maar Wim (87) geeft geen krimp: ‘Het wordt pijnlijk als men je het podium moet ophijsen.’ Zijn wijze vrouw Cor is het er helemaal mee eens: ‘Je moet er een keer een punt achter zetten’. Maar de senior mist het koor wel, de muziek en de mannen. Hij is zeker te verleiden om bij een uitvoering aanwezig te zijn. ‘Iedere knaak was er één’ Zijn levensverhaal liegt er niet om. Hij werd geboren vlakbij de Rotterdamse Laurenskerk, in de straat ‘Achterklooster’. De familie verhuisde voor de oorlog naar wat heette een riant huis aan de Sofiastraat in Crooswijk/Kralingen. ‘Het stelde niks voor, oude rotzooi. Een vlo kon zich nog niet keren.’ Dankzij de verhuizing ontkwam het gezin aan het bombardement op 14 mei 1940 – ‘ik dook toen wel onder tafel’. Na de lagere school – met extra leerjaren – kwam voor de 14-jarige de eerste baan: bij een pantoffelfabriek. ‘Gezeten op een kistje moest ik de randen van pantoffels verven, met een tandenborstel. ‘Je verdiende haast niks. Maar iedere knaak was er één. Ik kreeg f 1,25 per week, en die was voor mijn moeder. Van haar kreeg ik dan een paar dubbeltjes zakgeld – daar kocht ik ijsjes voor’. Zijn vader was zeeman en voer op de Holland Amerika Lijn. Eind jaren dertig moest hij een schip ophalen in Denemarken. Duitsland was toen al flink op het oorlogspad, dus keerde het schip niet meer naar Nederland terug. ‘Mijn moeder moest ons gezin - 5 kinderen - door de oorlogsjaren loodsen.’ Dwangarbeid in Duitsland Drie jaar was Wim dwangarbeider, de data staan in het geheugen gegrift: van 20 mei 1942 tot 8 juni 1945. Zijn persoonsbewijs komt op tafel en dat vermeldt: van beroep autogeen lasser/machinebankwerker. Dus werd hij tewerk gesteld bij ‘Weser Flugzeugbau’ in Bremen, de fabriek van de gevreesde Stuka’s. ‘We sliepen in een grote hal, dicht op elkaar. Als je even een stuk brood op je kast legde, werd het aan de andere kant weggepikt. Dat was een ramp. Zeker als je op donderdag brood had gekregen, waarmee je dan tot maandag moest doen. Aan luchtalarm geen gebrek. Dan gingen we de schuilkelder in, de buitenlanders op de bovenste etage, de Duitsers onderin. Soms hadden die pech, zoals bij een aanval met luchttorpedo’s: ze dachten veilig te staan achter een stalen deur, toen kwam er een doorheen…’ Op 6 april 1945 kwamen de Britten hen bevrijden en mochten de dwangarbeiders naar huis. Maar het transport kwam niet verder dan Bathmen, bij Deventer. Men mocht Holland niet in, want er zou tyfus zijn uitgebroken. ‘We werden ondergebracht in een school met uitzicht op een weiland. Laat daar nou een koe op een mijn trappen, en daar ging ie. Ik sliep bij het raam en door de explosie kreeg ik een glasscherf in mijn kop.’ Grinnikend: ‘ Ben je drie jaar Duitsland doorgekomen en dan krijg je in bevrijd gebied alsnog een oorlogsverwonding.’ Joodse achtergrond?
Wim Schwarz is in zijn leven veel in joods gezelschap geweest. ‘Dat begon al in de buurt waarin ik opgroeide en werkte, neem bijvoorbeeld de Helmerstraat. Bedenk dat er in Rotterdam wel zeven synagogen waren, die aan de Boompjes was de mooiste – ook vernield tijdens het bombardement in 1940. Ik voelde me wel thuis onder die mensen en eigenlijk heb ik altijd het gevoel gehad dat ik van joodse komaf ben. We hebben het nooit kunnen vaststellen, zelfs niet in de oorlog via de Ortskommandantur, waar mijn broer zich moest melden. Er kwam dus geen J in het persoonsbewijs.’ Kleurrijke loopbaan Een week na terugkeer uit Duitsland kreeg Wim verkering. Op het bevrijdingsfeest in de wijk het Oude Noorden, 65 jaar geleden, danste hij die avond met zijn Cor. ‘Mijn schoonmoeder zei tegen haar: Waar kom je nou mee aan? Gelijk had ze, ik had helemaal niks. Na een jaar hebben we ons verloofd, na nog eens 5 jaar zijn we getrouwd. Niet kerkelijk, we zijn niet religieus opgevoed, ouders en schoonouders waren Nederduits Hervormd. Na 3 ½ jaar inwonen kregen we een eigen woning in de Millingstraat, later kwamen we in Lombardijen, vervolgens in de Wiekslag in Capelle en nu dus in Berkenwoude.’ Bij de Rotterdamse Droogdok Maatschappij is hij gepensioneerd. Heeft hij daar altijd gewerkt? Zijn vrouw is helder: ‘Je denkt toch niet dat Wim maar één baas heeft gehad?’ Het zijn er 22 geweest. Als hem iets niet zinde was het zo maar ‘over en uit’. Een stoet van banen trekt voorbij. Direct na de oorlog startte hij als verhuizer bij Jan Reijm in Nieuwerkerk – die moest woningen van NSB-ers leeghalen. Vervolgens keerde hij terug naar zijn vak als lasser, bankwerker, monteur, en werkte bij de fabricage van autopeds, landbouwwerktuigen, aanhangwagens en kranen. Totdat hij bij de RDM in de scheepsbouw kwam, vaak op ‘hoog niveau’ zijn werk deed en het bedrijf 25 jaar trouw bleef. ‘Met veel plezier. In het bedrijfskoor heb ik tot lang na mijn pensionering gezongen.’ Zang
Conservatorium Zoals vaker was ook bij Wim zijn vrouw de stimulator. Die zei in 1947: Je hebt zo’n mooie stem, waarom ga je niet naar het Conservatorium? Het was de tijd van de grote namen als Jo Vincent en Louis van Tulder. Op 25-jarige leeftijd meldde hij zich bij het Conservatorium, moest voorzingen en ging bij Piet Böhm in de leer - ‘ik heb van hem heel veel geleerd’. Zijn jongste dochter, toen drie jaar, had minder waardering voor zijn zang. ‘Je moest ‘s avonds flink oefenen en dat ging niet geluidloos. Ze dacht eerst dat we ruzie hadden. Huilend riep ze hou er nou mee op’. Na een afgeronde 3-jarige elementaire zangopleiding in de avonduren stond hij voor de keus er nog 5 jaar operaklas aan toe te voegen. Hij kwam bij Hans Lichtenstein en hoorde wat dit ging betekenen: pianoles volgen, lessen Frans en Italiaans. Het zou per maand bijna honderd gulden kosten. ‘Dat was voor een eenvoudige arbeider gewoon niet mogelijk.’ Is hem daardoor nu een veelbelovende zangcarrière ontgaan? Wim gelooft dat niet. Opera’s zingen betekent natuurlijk ook toneelspelen. En doordat ik klein van gestalte ben pas ik niet zo gauw in allerlei rollen.’ Gein en zelfspot zijn de jiddische solist niet vreemd: ‘Alleen voor de nar in de Rigoletto kwam ik misschien in aanmerking.’
|
|||||